poëzie

# Hier plaats ik een hek #

Langs het fietspad strekt zich de ruige groenstrook over een greppel

daarachter een grasveld en dan de vijftien meter brede strook

bomen en struiken die de verdiepte snelweg bovenlangs omzoomt.

Door de eerste bosjes loopt een olifantenpaadje,

al klinkt ‘hertenpad’ gepaster gezien de geringe breedte.

Op zeker moment stonden er pallets.

Halverwege de zomer hadden ze plaats gemaakt

voor een serieus hek met metalen raster.

Op publieke grond had iemand paal en perk gesteld.

 

Ik zie ze soms gaan, de een wat havelozer

dan de ander, mensen wier taal ik niet machtig ben

en die huizen in een tentje naast de A27.

Oost-Europeanen. Seizoenarbeiders zonder werk?

Onder hen een ondernemend type dat zich zo

thuis voelt dat hij dit terrein, misschien uit angst,

tot het zijne verklaart en afbakent met een hek.

Zo zijn aanwezigheid hier materialiserend,

is dat wel handig? Heeft zich al een beambte gemeld?

 

Vlak voor het viaduct over de snelweg verderop

nog een ingang tot deze sub-urbane wildernis

dichtbij de plaats waar het talud zo’n tien meter daalt.

Een betontegel markeert die plek, erop een stoel

met stalen poten en paarse plastic zitting.

Wanneer ik later terugkeer is de stoel weg.

Ik heb het nog niet aangedurfd mij bij het hek te melden.

Straks verdwijn ik in een konijnengang of een wormgat

waarachter ongedachte dimensies kronkelen.

Is er wel een bel? Doet iemand open als ik roep?

 

Het hek deed me denken aan wat Jean-Jacques Rousseau zegt in zijn

Verhandeling over de oorsprong en de grondslagen van de ongelijkheid onder de mensen

dat de ongelijkheid begon met een hek plaatsen

plus het geloof van gewone mensen in de legitimiteit ervan.

 

Al wil ik deze ontheemden in het openbare groen allerminst

het stichten van de burgerlijke samenleving in de schoenen schuiven.

Ik hoop maar dat hun schoenen vrij zijn van gaten

en dat ze zich warm kunnen houden in de winter.

Het gedicht als vinger & rouwgedichten op Meander Magazine

Waarom schrijft iemand poëzie?

Gaat het om uitdrukking van de allerpersoonlijkste emotie, zoals een oude en (onder ‘poëzie-leken’ nog) gangbare definitie luidt? Poëzie die alleen aan emoties appelleert, is naar mijn smaak al snel wat plat en sentimenteel. Leuk als er een mooie melodielijn onder ligt, maar de tekst van een gedicht moet op eigen benen staan.

Gaat het dan om de uiterste randen van de taal te verkennen en op te rekken? Dat is misschien weer een al te taal-technische benadering. Een gedicht lezen vraagt concentratie en creativiteit, zeker; de lezer ‘herschept’ het gedicht door het te lezen, maar daarom hoeft het geen gymnastische hersenoefening te zijn.

Ergens tussen beide benaderingen in staat die van het spelelement, de homo ludens. Leuke benadering die altijd een aandeel heeft in mijn werk. Maar ook hier ligt de nadruk wat te zwaar op het talige. Er zijn misschien dichters die het alleen of voornamelijk om het taalspel gaat. Hoewel dat aspect ook bij mij een grote rol speelt, ga je hiermee voorbij aan de vraag waarom we taal gebruiken: namelijk om iets over te brengen. Om te communiceren.

Poëzie is bij uitstek geschikt om over te brengen wat niet zo makkelijk in woorden te vatten is, wat zich onttrekt aan de alledaagse gebruikstaal ­– van de geringste observatie tot het grootste fenomeen. En dat in een geconcentreerde vorm, met zo weinig mogelijk woorden. Die op zo’n manier in het gelid zijn gezet dat ze misschien onverwachte verbanden aangaan. Elk gedicht zoekt (omzichtig of direct) woorden die reiken naar een breed gebied van indrukken, waarnemingen, gedachten en emoties waar lastig een vinger op te leggen is. Die vinger, dat is mijn gedicht.

Waarom leest iemand poëzie?
Ik kan alleen voor mezelf spreken. Om de bevrediging van een aansprekend beeld. Van een kloppend of juist verrassend ritme, een uitnodigend klankpatroon, een suggestief woordbeeld, een nieuwe gedachte. Esthetische voldoening, ontroering door de aanraking van iets dat sluimert, dat je nog niet eerder raakte in taal, niet op deze manier, met deze woorden.

Rouwgedichten op Meander Magazine

Is het toeval dat enkele In Memoria, herdenkingsgedichten ofwel elegiën van overledenen, van mij als eerste geplaatst werden op poëzieplatform Meander magazine? Ik vermoed dat het komt doordat rouw zo’n universele en invoelbare emotie is. Misschien zijn ze daardoor wat directer vatbaar dan andere verzen die ik schrijf. Ik hoop dat er in de toekomst ook plek is voor gedichten die niet direct ingegeven zijn door het verlies van een dierbare. Hoe dan ook is het fijn dat deze drie nu gepubliceerd zijn.
https://meandermagazine.nl/2025/02/jac-m-janssen/

Zonk (in memoriam Leon Janssen)


Kort geleden schreef ik dit vers naar aanleiding van het overlijden van mijn oudste broer Léon (13-02-1951 – 26-12-2024):

 

Zonk

 

Dit is de eerste gele volle maansopkomst

die jij niet ziet en aan de andere hemelzijde

zwermen wentelen vluchten spreeuwen

en elders zonk roze en rood naar oranje de zon

 

wat een hemels natuurlijk schouwspel dat

het zonder jouw kader je toets en kleurgevoel

je helle palet je keurende maar immer

schilderkunstige blik toch ook zal doen

 

Cosmea

Cosmea

Tegen de beelden verdoemde feiten

van alweer een nieuwe oorlog

vraagt mijn euvel oog de troost

van een bloem, de tweekleurige

wit-roze cosmea dient zich aan en

 

in haar naam draagt zij de hele

kosmos, waarom als dit al bestaat

dan ook dat – stof, puin, scherven,

rook, as, staal, sterven, bloed, stof –

sluit zij de krant buiten en in

 

 

 

JJ 9 oktober ‘23

Ga naar de bovenkant