eigen projecten-blog

Dokter nr 40 – een Egyptenaar in Urk

Afgelopen maandag sprak ik dokter nummer veertig in de reeks interviews met huisartsen die dienen als grondstof voor ons doktersboek. Het was de uit Egypte afkomstige en aldaar opgeleide gynaecoloog en dokter Sameh Lawndy, die na zijn waarnemerschap in Brabant met zijn huisartsenpraktijk in Urk is neergestreken. Minder vreemd dan het lijkt, want de christelijke Lawndy voelt zich goed thuis in het christelijke Urk. Hij is een eigentijdse dokter met moderne ideeën en herkenbare sores, en tegelijk bijna ouderwets in het feit dat hij er een solopraktijk op nahoudt en lacht wanneer ik hem vraag of hij in deeltijd werkt. ‘Tweemaal 36 uur ongeveer!’ zegt hij stralend. De telefoon gaat, de apotheker wil even met hem overleggen; het is maandagavond na achten, de enige werkdag dat Lawndy overdag géén spreekuur heeft. Op maandag doet hij zijn administratie en die tijd heeft hij hard nodig, helaas. Deze maandagavond heeft hij bovendien dienst. Het valt mee, vanavond komen slechts twee patiënten langs en klopt zijn assistent slechts eenmaal aan voor advies. Tegen het eind van de avond, als wij bijna twee uur met elkaar gesproken hebben, staat dokter Lawndy op. Zijn telefoon heeft geklonken, hij moet visite rijden. Glimlachend doet hij me uitgeleide.

Pittig vak, huisarts zijn in deze tijd. Ons respect voor deze professionals, hun toewijding aan het vak en hun arbeidsmoraal is de afgelopen anderhalf jaar alleen maar gegroeid. Vanaf nu kunnen wij ons wijden aan het schrijven van het boek dat hun vak weergeeft zoals de dokter het zelf beleeft.

Zie ook onze facebook-pagina Onder doktoren

Schouderlast

Ik vraag hoe het nu met hem is, bijna twee jaar nadat hij met pensioen ging. Of hij in het beruchte zwarte gat is gevallen dat mensen vaak ervaren na een lang werkzaam leven. We staan in de rij voor de kassa van de supermarkt, hij voor mij. Hij kijkt me glimlachend aan met het rustige, vertrouwde gezicht dat vijftien jaar lang dat van mijn huisarts is geweest. ‘Helemaal niet! Ik heb mijn vak geen dag gemist sinds ik ben gestopt. Ik voel geen haast, ik heb nu overal veel meer tijd voor. Voor de kleinkinderen bijvoorbeeld.’

Ik zie hem wel eens fietsen, een trotse en vertederde grootvader met zijn kleinkind op het stuurzitje, het blonde kinderhoofdje onder het zijne.

‘Weet je,’ vervolgt hij, ‘ik ben veel meer ontspannen nu ik verlost ben van al die verantwoordelijkheden. Zelfs mijn schouders zijn meer gaan hangen.’ Het klinkt tevreden. Terwijl hij de boodschappen in zijn tas laadt vraagt hij: ‘Hoe is het met jullie boek?

Wij zijn bezig met de laatste interviews, antwoord ik hem. Het duurt allemaal wat langer dan voorzien. We doen dit ernaast; intussen moeten we de kost verdienen met schrijfwerk in opdracht. We hadden gehoopt dat een van de partijen die zich enthousiast hadden betoond over ons project, ons ook met een lening, een voorschot of een aanbetaling van de straat kon houden, maar dat viel tegen. Mogelijk dat we binnenkort op crowdfunding overstappen. U bent dan de eerste die het hoort.

Mijn uitleg aan mijn ex-huisarts was een stuk bondiger, maar nu we het er toch over hebben… Hoe dan ook, voordat hij wegliep zei hij: ‘Maar dat heeft toch ook helemaal geen haast.’

Dit was uiteraard vooral projectie van zijn eigen nieuwverworven relaxte levenshouding. Want wij gaan er vanaf deze maand wel degelijk werk van maken – en vaart erachter zetten.

‘Borsthonger’

of

de hoedenman,

Maria en het hoofddoekmeisje

 

De automatische paginateller staat op 366 wanneer ik vanmiddag de laatste alinea voltooi van het verhaal waarvan ik in september 2010 de eerste 36 bladzijden schreef. Sinds die maand heb ik er met horten en stoten aan gewerkt. Soms gingen er maanden voorbij zonder dat er een letter bij kwam. Talloze keren dwaalde ik kriskras door de tekst, hier wat aanpassend, daar iets toevoegend of schrappend. Het mooie van zo’n aanwassend verhaal is dat het een eigen logica ontwikkelt; die lijkt de regie over te nemen en de schrijver te reduceren tot het medium dat alles alleen nog maar even op papier hoeft te zetten. Zoals de beeldhouwer het beeld slechts uit het blok marmer hoeft te bevrijden, om een gevleugelde uitspraak van Michelangelo te parafraseren.

Gister bedacht ik een nieuwe titel voor deze almaar uitdijende vertelling die lang de werktitel ‘Borstverlangen’ droeg. Bij die werktitel voegde zich op zeker moment de achternaam van de protagonist, Daniël Dagloner. De hoedenmaker die meer dan gemiddeld geobsedeerd is door de vrouwenborst, het lichaamsdeel dat regisseur Paul Verhoeven ooit uitriep tot het mooiste dat de natuur heeft voortgebracht. ‘Evolutionair verklaarbaar,’ meldde hij erbij.

En er kwam een ondertitel die Daniël naast de twee vrouwen plaatst die dit verhaal in hoge mate dragen, namelijk Maria en Belgin, ook wel gekend als het hoofddoekmeisje.

Bijna vijf jaar woonde ik in dit verhaal, waarvan ik tot gister niet precies wist hoe het in detail zou eindigen, welke lijntjes ik wel nog aan elkaar moest knopen en welke ik los mocht laten slingeren, zoals we dat van het gewone dagelijkse leven gewend zijn, ook al is het allergrootste deel ervan aan mijn verbeelding ontsproten en heb ik voor de rest mijn geheugen geplunderd en de inhoud daarvan gekneed en gemangeld en tot slot dwarsgebakken. En nu is het klaar. Nu ja, klaar: ten einde. Er zal nog wel een redactieslag overheen moeten om de gevolgen van die gefragmenteerde ontstaansgeschiedenis op te vangen. Maar mij is het vreemd te moede. Alsof ik opeens op straat kom te staan, een lot dat trouwens een van mijn personages treft.

Ik moet nog bedenken waar ik vanaf vandaag onderdak vind.

Intussen wens ik Belgin, Maria, Tomas, Daniël en al die anderen bonne chance op de reis die ze hopelijk zonder mij vervolgen.

 

Tuitjenhorn op de Coolsingel

 

Recentelijk gepensioneerd dokter Nico van Duijn kan zijn energie nog kwijt als actief raadslid voor Leefbaar Almere. En anders kiest hij graag het ruime sop met zijn zeilbootje. Open water, in deze stad aan de voormalige Zuiderzee ruimschoots voorhanden,was een van de redenen dat hij de eerste huisarts van Flevoland werd. Dat was in 1976.

Aan het eind van zijn loopbaan stond hij twee keer voor de Tuchtraad. De eerste keer was een terechte toetsing, zegt hij zelf, van zijn beslissing een patiënt niet te laten opnemen. Deze patiënt overleed een week later maar de tuchtrechter was het toch met die beslissing eens. De tweede keer beleefde Van Duijn als ‘hilarisch’. De aanleiding was dat hij in zijn column de osteopathie belachelijk had gemaakt. Meneer mag schrijven wat hij wil, had de rechter geoordeeld.

Van Duijn zegt het graag stellig en heeft het niet op kwakzalvers, charlatans en lieden die het niet zo nauw nemen met de regels van de moderne geneeskunde. Maar in het geval van Tuitjenhorn doet hij in ons gesprek toch een opmerkelijke uitspraak. ‘Een kleine procedurele fout die in het niet valt bij de enorme overtreding die Tromp maakte. Als iemand met 300 km/u over de Coolsingel raast moet je geen ‘halt’ roepen maar die wagen van de weg af rossen. De strenge aanpak door de Inspectie was volkomen terecht.’

Het is een stevig standpunt dat haaks staat op wat wij tot nu toe hoorden van de 36 dokters die Paul en ik overal in het land mochten interviewen. Behoorlijk dwars in de discussie die zoveel onzekerheid onder dokters heeft blootgelegd. Van Duijn nuanceert: ‘Het was een fatsoensfout dat ze zelf Tromp niet even hebben gebeld. Maar dat weegt niet op tegen zijn optreden waarmee hij enorm over de schreef ging. De Inspectie moest wel hard ingrijpen.’

Dokter Tromp injecteerde zijn – stervende – patiënt 1000 mg morfine. Dit middel brengt je in slaap en verzacht de pijn en de benauwenis waarin deze patiënt verkeerde. De patiënt werd niet meer wakker en overleed een half uur later. Mogelijk had hij een morfinetolerantie opgebouwd – en Tromp wilde geen half werk leveren. Dat is het oordeel van veruit de meeste dokters die wij spreken.

Maar Nico van Duijn vindt dat Tromp het onheil over zichzelf afriep met zijn afwijkende ingreep. Hij vindt dat dokters zich gewoon aan de regels moeten houden.

Zijn standpunt over zorgverzekeraars sluit wel aan op wat wij van zijn collega’s optekenden. Verzekeraars zouden hun inhoudelijke bemoeienis moeten inleveren en overlaten aan de beroepsgroep. Die kan zelf het beste invulling geven aan hun vak, binnen de kaders die onze democratie stelt. Maar dan moeten ze ook intervisie, controle en inspectie accepteren. Anders kan er van openheid en controleerbaarheid geen sprake zijn.

Romanfragment

 

Hij beloofde haar de tweeduizend vandaag nog naar haar rekening over te maken en zij gaf hem haar rekeningnummer met een mengsel van dankbaarheid en gekrenkte trots.

‘Zodra ik die lopende lening terugheb, krijg jij een volgende som. Zo kun je alvast je behandeling laten plannen in de kliniek.’

Pedra knikte. Hierna dronken ze met kleine slokjes. Het gesprek wilde niet meer erg vlotten. Onwennigheid en onuitgesproken verwachtingen en aannames beheersten hun conversatie, die cirkelde rond Pedra’s studie en het werk op haar stageplek. Haar borstverkleining kwam niet ter sprake en een vraag van Daniël naar haar moeder liet Pedra langs zich af glijden als had ze hem niet gehoord. Na een half uur stond ze plots op, waarbij haar stoel net niet omviel.

Ze wilde per se voor beiden afrekenen. Zijn verweer negeerde ze, volkomen onaangedaan. Hij herkende daarin een van hem geërfd talent.

Zij had geen paraplu dus hield hij de zijne boven haar hoofd en zo begeleidde hij haar naar de bushalte op de Prinsessenlaan, geladen met het gevoel dat hij in een musical was beland waarin elk moment iemand in zingen kon uitbarsten. De vraag was wie. Bij de bushalte gaf hij zijn dochter de paraplu en drukte een onwennige kus op haar wang. Als een bakvis. De bus reed voor en wierp een gordijn van regenwater op, waarvoor hij geschrokken achteruitsprong. Zij glimlachte en zwaaide hem heel even na toen hij wegliep, waarna ze instapte en verdween.

Basisinstrumentarium: blog van Paul voor Onder Doktoren

Basisinstrumentarium

En dan was er nog een persoonlijk motief om samen met Jac. een boek over huisartsen te maken. Mijn leeftijd. De kans dat ik vaker gebruik maak van mijn dokters diensten neemt eerder toe dan af. Nou ja, tot het moment natuurlijk, dat ik niet meer naar hem toe kán omdat hij kort ervoor mijn dood heeft vastgesteld.

Wat mag ik tot dat onvermijdelijke ogenblik van hem verwachten? Dat hij mij beter maakt, niet echt. Een dokter verwoordde het in een gesprek met ons als volgt: ‘Mijn werk bestaat voor tien procent uit genezen van relatief onschuldige kwalen en voor de rest uit pappen en nathouden.’ Mensen beter maken, gebeurde volgens haar hoofdzakelijk in de tweede lijn, bij de specialisten. ‘Ik schrijf,’ zei weer een andere dokter die wij spraken, ‘wel eens iets voor tegen verkoudheid, hoofdpijn of winderigheid. Maar in mijn vak komt het vooral aan op goed kunnen luisteren en het vermogen om zo de vraag achter de vraag te horen.’

Effectievere medische basisinstrumenten dan pakweg stethoscoop, bloeddrukmeter, eendenbek of ooglamp, zijn dus een goed stel oren en een fikse dosis empathisch vermogen. Die eigenschappen deelt de dokter met de golden retriever, maar wat dan nog? In een tijd dat schreeuwen de norm lijkt en op hufterigheid daadwerkelijk bonussen staan, is het een geruststellende gedachte dat er een beroepsgroep is die nog serieus omgaat met je klachten. Zelfs al zijn ze ridicuul. ‘Als ik consequent alle mensen afwimpel die ik gezien hun levenswijze niet meer serieus kan nemen,’ hoorden we een arts zeggen, ‘dan kan ik mijn tent wel sluiten.’ Dat ik voor zo’n even invoelende als marktgerichte dokter nog ouderwets patiënt ben, laat me koud. Elders in de sector is immers pijnlijk duidelijk geworden welke zorg je kunt verwachten, als ze je ineens cliënt gaan noemen.

Onder doktoren – de werktitel

Onder professoren. Zo heet het brisante boek waarmee Willem Frederik Hermans in 1975 wraak nam op het zijns inziens benepen klimaat aan de Groninger Universiteit. Hij werkte daar eerder als lector op het Geografisch Instituut, tot hij zijn eervol ontslag kreeg van de toenmalige koningin Juliana. Het tv-programma Andere Tijden wijdde een boeiende aflevering aan de nasleep van deze kwestie.

Hermans’ functioneren aan het Geografisch Instituut leidde in 1971 zelfs tot Kamervragen, en later boog een minister zich over de zaak. Studenten uitten kritiek op zijn saaie manier van lesgeven, collega’s klaagden dat hij er nooit was. Hermans zelf deed dit af als uitwassen van de democratiseringsgolf die zich op dat moment voordeed aan de universiteit. Terwijl de professoren en hoogleraren voorheen al uitblonken in gewauwel, gezever en dagenlange vergaderingen over een ‘vlakelastiekje.’ De schrijver van onder meer De donkere kamer van Damocles, Nooit meer slapen en Ik heb altijd gelijk was op zijn best wanneer hij vilein om zich heen sloeg.

Het moge duidelijk zijn dat de werktitel van ons boek in wording verwijst naar dat van Hermans. Deze schreef prachtige boeken en dat hopen wij ook te doen, maar daar houdt elke overeenkomst op. Wij hebben niet altijd gelijk. We zijn zelf ook geen doktoren maar laten ze wel aan het woord. Of zij gelijk hebben, dat laten we aan de lezer over.

De vraag is trouwens of het hier wel gaat om gelijk hebben. Wij brengen hun ervaringen voor het voetlicht; dat is ons aandeel. Dat is niet alleen interessant voor de beroepsgroep, maar voor iedereen die wel eens naar de dokter moet. We kunnen alvast verklappen dat sommige bevindingen die wij optekenen op zijn minst zorgwekkend zijn. Het zal ons niets verbazen wanneer daar straks een minister aan te pas moet komen.

Paul en Jac120215-1

Vaders aswas

Het is dertig jaar geleden dat mijn vader in hartzeer en wanhoop zijn leven beëindigde. Nog steeds ijlt deze gebeurtenis na in de levens van mijn moeder en de zes kinderen die hij naliet.

Bijvoorbeeld in mijn droom. Het is nacht, blauwzwart onder een koepel van zilveren sterren. Mijn oudste broer en zus roepen ons bijeen om de geest van vader te bedaren. Hij blijft maar opduiken en rondwaren in telkens wisselende gedaanten, en wij nakomelingen zijn het erover eens dat een passend ritueel nodig is om zijn geest te kalmeren en eens en voor altijd te verzoenen met zijn lot. Hoewel hij begraven ligt op het kerkhof in Stein, waar ik onlangs met mijn dochters zijn graf bezocht, blijken de stamoudsten van onze familie te beschikken over zijn as. Die scheppen ze uit een groot houtvuur dat nagloeit onder de rotswand waar we elkaar ontmoeten.

In een bezwerend ritme komt het ritueel tot stand. Twee van ons snijden een kartonnen doos diagonaal over de lengte af. Een ander houdt deze doos schuin en schept er vaderlijke as in. Nummer vier laat er vervolgens vloeibare kaarsenwas in stollen, terwijl mijn jongste zus en ik vier pitten toevoegen aan het mengsel van was en as.

We zetten de kaarsdoos met de aswas schuin neer en ontsteken de pitten. Ze vatten rustig vlam en branden, terwijl het aswasmengsel voor onze ogen helder wordt als vloeibare honing.

Vaders geest is kalm en legt zich te rusten, voorgoed verenigd met zijn lot. Kijk eens omhoog, zegt de jongste onder ons. Wij heffen onze gezichten naar de nachtblauwe hemel, waar een spervuur van vallende sterren in alle richtingen uiteenspat op het ondoordringbare schild van de dampkring.

sterrenhemel

Jolie haar gebroken snaar

Hoewel ze tegenwoordig ook venijnig rockt, draagt Jolie Holland (11/9/1975, Houston Texas) de labels folk en country. Ze mixt graag jazz en blues door haar trage stijl, tot wat ‘New Weird Americana’ genoemd wordt. Tom Waits is verklaard fan.

Haar weerbarstige reputatie kennende wilde ik haar eens met eigen ogen aanschouwen. Ze treedt op in Cloud Nine, helemaal bovenin TivoliVredenburg, begeleid door drie jonge muzikanten. Haar zang is klagelijk en smooth ineen, rijk aan vreemde krullen maar toch kaal en eerlijk. De gitarist gaat geregeld tekeer als tijdens een epileptische aanval maar produceert fascinerende geluidspatronen.

Het gaat me hier om Hollands présence. Lui leunt ze op haar gitaar. Ze zingt fluwelig tot getergd, doortrokken van een vette ‘southern drawl’ en soms snauwt ze haar poëtische teksten. Haar onderlip steekt misprijzend vooruit maar allengs krijgt ze plezier in het spelen en krullen haar mondhoeken omhoog.

Tussen twee nummers door stemt ze telkens haar gitaar. Op haar dooie gemak en met een onverstoorbare glimlach. Als leadgitarist Adam Brisbin de vrije hand krijgt, stapt zij statig als een slagschip terug.

JolieHollandstemt

Maar dan breekt haar hoogste snaar. Eigenlijk wil ze gewoon doorspelen. ‘Nooit eerder brak mij een snaar,’ verklapt ze. En: ‘Die snaar heb ik toch niet de hele tijd nodig.’ Terwijl zij keuvelt over haar toernee met Elbow, vervangt Brisbin geroutineerd de kapotte snaar.

La Jolie blijft opgewekt en kalm. Definitief ontdooid leidt ze haar fraaie lied The Living and the Dead in. Als ‘homeless teenager, in the back of pick-up trucks’ liftte ze door Amerika. Daarbij verslond ze de romans van Jack Kerouac – wereldberoemd wegens On the road.

Tot zover de clichés. Onlangs werd een onbekend Kerouac-manuscript ontdekt en uitgegeven. Voorin deze uitgave prijkt een citaat uit háár song, meldt Holland trots. Maar helaas: verkeerd geciteerd.

Zou ze woedend zijn geworden toen ze dat zag?

Nu krullen haar mondhoeken tot een brede grijns. Ze kent de redacteur. ‘Komt vast goed in de volgende druk’ besluit ze, vergevingsgezind.

 http://joliehollandmusic.com/

Ga naar de bovenkant