eigen projecten-blog

LOS

Vannacht droomde ik over Belgin. Nee, dat is geen vrouwelijk Belg, maar een ondernemende vrouw van gemengd Marokkaans-Turkse afkomst met een onversneden Nederlands karakter. Belgin liep in het park, het park dat in mijn tekst materialiseert, en het leek of ze de weg kwijt was. Of beter, dat ze niet wist waar ze nu heen moest. Ze droeg geen hoofddoek – ik wist dat ze daarvan afstand had gedaan – maar ik herkende haar meteen, hoewel ik haar gadesloeg alsof ik zelf onder een glazen stolp zat opgesloten. Vandaar kon ik naar haar gebaren en roepen maar niemand nam het waar en mijn roepen klonk alleen in die stolp. Ik, haar schepper, drong niet meer tot haar door. Ze was aan haar lot overgelaten zoals ze daar doelloos en een beetje angstig ronddoolde in mijn deels bestaande, deels imaginaire park. En dat was mijn schuld.

In juni 2015 schreef ik in een blog getiteld ‘Borsthonger’:

‘Ik moet nog bedenken waar ik vanaf vandaag onderdak vind.’

Toen al verklaarde ik mijn roman af, al wist ik wel dat er nog een ‘redactieslag’ overheen moest. Ik leek toen zelf al een beetje ontheemd. Ik kon die wereld nog niet loslaten en dook er weer in. Hij dikte in en groeide aan. Personages kwamen tot leven, ik zag hun deugden, hun falen en hun streven en raakte meer en meer op ze gesteld. De enorme klomp letters die hun leefwereld vormt, deelde tekst op in vier delen. Dit hielp in het overzicht en het bewerken. En dat duurde dus iets langer dan verwacht.

En hoewel de ideeën blijven komen, bereikte ik vorige week het einde van de kopij. Er is een uitgever die zegt geïnteresseerd te zijn, maar hij wilde pas beginnen met lezen wanneer hij de hele tekst binnen had. Ik stuurde hem dus mijn vierde en laatste deel toe, hij kan gaan lezen. En daarmee sneed ik de navelstreng door tussen mij en de wereld die ‘Borsthonger’ heet. Ik moet mijn personages loslaten, zoals ik ook leer om mijn eigen kinderen los te laten terwijl ze opgroeien en volwassen mensen worden. De gelijkenis tussen die twee processen is frappant.

Of de uitgever bij wie mijn complete kopij nu ligt, dit verhaal werkelijk interessant genoeg vindt om uit te geven, moet nog blijken. Daarom noem ik hem ook nog niet. Maar mijn gevoel van verweesdheid, van afgesneden zijn, is  onmiskenbaar. Belgin, Daniël, Maria, Tomas, Renate en de anderen moeten het vanaf nu zelf uitzoeken. Tot leven komen in de verbeelding van de lezer.

Hopelijk vinden zij de weg naar lezers die zich over hen ontfermen.

Het is raar. Hij is klaar.

Tijd om aan iets nieuws te beginnen. De ideeën zijn daar.

Borsthonger gelost

Borsthonger, zo heet het boek waar ik zes jaar aan werkte. Af en aan, want er waren ook andere dingen die me van de straat hielden, en dan moet een mens ook nog zijn boterham verdienen. Maar nu was het dan zover. Eindelijk lukte het me een synopsis te maken die er enigszins recht aan deed, al schrok ik wel een beetje van de hoeveelheid draden en haast soapachtige ontwikkelingen. Nee, ik heb niks tegen goed geschreven zeepachtige literatuur, en van een plot ben ik absoluut niet vies. Sterker nog, het zijn enkele van de factoren waarmee ik speel in dit boek, dat inmiddels is uitgegroeid tot zo’n 400 bladzijden.

Vandaag bewaarde ik de eerste tien bladzijden als pdf en zond ze, met de synopsis, naar een uitgever. Het is een jonge, kleine, mij sympathieke uitgeverij, zoveel kan ik wel verklappen. Toch even slikken toen ik las dat het 20 weken kan duren eer men mijn tien pagina’s, nou goed 11 dan met dat uittreksel erbij, heeft gelezen en besproken. Twintig weken! Ik weet niet of ik dat volhoud eerlijk gezegd. Kan best zijn dat ik tussentijds mijn geluk beproef bij een ander uitgeefhuis. Er zijn er meer en voor elk van hen is vast wel iets te zeggen.

Maar voor nu geldt dat ik mijn schrijfjong over de rand van het nest heb geduwd. Het geheel bestaat uit vier delen en deel 2 t/m 4 moet ik nog eens goed doorwerken. Maar intussen kan ik wel al ruimte reserveren in mijn hoofd en mijn tijd voor de volgende roman die jeukt onder mijn schedel. Over een huisarts die met een hypochonder is gehuwd. Maar dat is later.

Het eerste wijkgezondheidscentrum

Soms lopen verschillende bezigheden en belangstellingen mooi in elkaar over. Zo wandelde ik afgelopen week onder leiding van historicus Maarten Brinkman door Lunetten, de wijk aan de zuidrand van Utrecht waar ik tot mijn stijgende verbazing al twintig jaar woon. Een verslag van de wandeling zal verschijnen in het zomernummer van Hallo! Lunetten, het wijkmagazine waaraan ik meewerk. Door Lunetten wandelen met gids Brinkman verandert je kijk op deze moeder aller vinexen voorgoed. Alles was hier bij aanvang experiment en inspraak, vertelt Maarten. Het waren de jaren zeventig. Een van die – geslaagde – experimenten was het wijkgezondheidscentrum, opgezet door onder meer huisarts Gijs Appelman. In 1978 was dat nog zonder precedent: huisartsen, tandartsen en paramedici onder één dak bijeen. Met onderling overleg en intervisie. Nu zie je bijna niet anders meer en beginnen de solodokters zo’n beetje uit te sterven.

Voor Onder doktoren, luisteren naar de huisarts spraken we een van de pioniers van geïntegreerde gezondheidscentra in Almere, Nico van Duijn. Maar ook overtuigde solisten komen uitgebreid aan het woord in ons boek. De eerste huisarts die ik in dit verband sprak, mede om de stellingen te toetsen die we zijn collega-artsen later zouden voorleggen, was mijn eigen oud-huisarts Dré Stark. Hij was al snel een vitaal onderdeel van het eerste gezondheidscentrum van Nederland.
Dat staat dus gewoon in onze wijk. Aanvankelijk was het gevestigd in drie woonhuizen, Vogezen 7  t/m 11. (In een van die huizen hebben mijn dochters en ik nog pianoles gehad.) Het huidige pand kwam hare majesteit Koningin Beatrix in 1990 hoogstpersoonlijk openen. Hoe Appelman en de zijnen dat voor elkaar hadden gekregen, weet zelfs Maarten Brinkman niet.

Hieronder staan we bij het Wijkgezondheidscentrum Lunetten aan de Oeral. Links Elles Rozing, hoofdredacteur Hallo! Lunetten, midden Maarten Brinkman. Foto: Sylvia Jansen

gezondheidscentrum historie

Onder Doktoren ligt in de winkel

Ruim drie jaar werk kostte het en vanaf februari is het te koop: Onder doktoren, luisteren naar de huisarts. Mijn co-productie met @Paul Peijnenburg. Je kunt het boek bestellen bij Bol.com,
zie: http://bit.ly/2odTiaF. Of bij je eigen boekwinkel.

Schermafbeelding 2017-01-12 om 20.38.23
Hieronder lees je enkele reacties van een paar mensen uit het vak. Maar eerst dit: het is geen boek dat geschreven is voor dokters of mensen in de medische branche. Voor die mensen, bijvoorbeeld studenten die overwegen huisarts te worden maar geen idee hebben wat hun te wachten staat, is het uiteraard op de eerste plaats interesssant. Maar ook  lezers met een brede algemeen-maatschappelijk interesse komen aan hun trekken. Het opent een wereld die doorgaans voor niet-huisartsen, gesloten blijft. Je verplaatst je al lezende in het leven van een huisarts in het Nederland van nu. En dat is best een openbaring.

Door drukte (nieuw werk) en ziekte waren we er nog amper aan toegekomen, maar: nu ons ei uitgebroed is, moeten we het ook een zetje geven om gezien te worden in de wereld. Dus vandaar nog een oproep. Ben je van plan het te bestellen of heb je dat al gedaan: wil je dan zo vriendelijk zijn om er een review aan te wijden? Dat schijnt twijfelaars over de brug te helpen. Het huisartsenvak, alle veertig dokters die we interviewden, en het boek dat dit opleverde, ze verdienen wat meer aandacht. Alvast bedankt!

Enkele reacties:

‘In dit boek laten de auteurs een aantal huisartsen aan het woord over de thema’s die hen, maar ook de samenleving, bezighouden. Gepassioneerd en genuanceerd praten jonge en ervaren huisartsen, eenpitters en HOED-ers, plattelandsdokters en grote stadsartsen over wat hen bezighoudt, boeit en zorgen baart in hun vak. Het levert een gevarieerd en boeiend beeld op van de huisartsgeneeskunde en van huisartsen die de kernwaarden van de huisartsgeneeskunde hoog in hun vaandel hebben staan: generalistische, persoonsgerichte en continue zorg, nu en in de toekomst.’

Henriëtte van der Horst, hoogleraar huisartsengeneeskunde aan het VUMC

 

‘Organisaties als VWS, LHV, huisartsinstituten en zorgverzekeraars schetsen een beeld van de huisarts hoe hij of zij eruit zou moéten zien: de etalage-huisarts. De blauwdruk. Maar hoe een huisarts nou in het écht werkt, denkt, voelt en handelt? Daarvoor moet je toch bij de huisartsen in hun eigen praktijk te rade gaan. Los van beeldschermen, protocollen en literatuur. Gewoon de huisartsen nu eens zelf bevragen, hen zelf de anamnese afnemen. Doorpeuren naar het verhaal achter het verhaal. De auteurs van ‘Onder dokteren’ hebben dat op een eerlijke wijze gedaan en zo gezorgd voor een herkenbaar boek voor ervaren huisartsen en een leerzaam boek voor beginnende (huis)artsen. Bij het lezen begreep ik weer waarom ik indertijd geen medisch specialist maar huisarts geworden ben, al ben ik na bijna twintig jaar wel wat anders gaan doen…’

Ben Crul, ex-huisarts en ex-hoofdredacteur Medisch Contact   

 

‘Geen wijk is hetzelfde, geen patiënt is hetzelfde, en dus is geen dag hetzelfde. Maar nog opvallender… geen huisarts is hetzelfde. Een mooie illustratie van de veelzijdigheid van ons vak.’

Dr. Jettie Bont, huisarts en hoofd van de Huisartsopleiding van het AMC

cover12

Oud & nieuw: doktersboek en hoofdredactie

Wat was 2016 jaar voor een jaar? Een rampjaar, hoor ik zeggen. Aleppo, aanslagen, klimaat, populisten, groeiende kloven. Ze gaan ons aan het hart, maar u heeft mij niet nodig om er mismoedig van te worden. Hier kijk ik terug op mijn jaar en ik beperk me tot het gebied van werk.

Boek uit!

En ik kan gelukkig zeggen: het was een zeer vruchtbaar jaar voor mij. Drie jaar werk en stug volhouden wordt eindelijk beloond: in januari verschijnt het boek Onder doktoren – luisteren naar de huisarts, dat ik met Paul Peijnenburg schreef, bij uitgeverij De Tijdstroom in Utrecht. Hoogleraar huisartsen- en ouderengeneeskunde Henriëtte van der Horst neemt het eerste exemplaar in ontvangst van het boek waarover ze onder meer schreef:

‘Gepassioneerd en genuanceerd praten jonge en ervaren huisartsen, eenpitters en HOED-ers, plattelandsdokters en grote stadsartsen over wat hen bezighoudt, boeit en zorgen baart in hun vak. Het levert een gevarieerd en boeiend beeld op …’ (etc.)

Afgelopen jaar verschenen er verder vele stukken van mij in vertrouwde én in voor mij nieuwe bladen en media, altijd leuk.

Pedagogisch materiaal en patiëntinformatie

De tomeloze creativiteit van kleine kinderen kun je kanaliseren, bijvoorbeeld door ze te laten experimenteren met afgedankte materialen. Begin je eigen creatief recyclecentrum! In het voorjaar schreef ik erover Kiddo, vakblad voor pedagogisch medewerkers, in opdracht van het ROC Midden Nederland.

Er ging trouwens ook wel iets mis. Een fusieproduct van een half dozijn oogziekenhuizen leek een veelbelovende nieuwe opdrachtgever. Vol goede moed begon ik aan een reeks folders met patiëntinformatie. Maar intern strandden mijn tekstvoorstellen op gebrek aan consensus over inhoud en de geëigende toon.

Civiele Techniek

Gelukkig begroette ik ook nieuwe klanten met wie het direct boterde. Neem Movares. Ik ontmoette er louter prettige professionals. Hun hoofdkantoor ligt vlakbij het pas heropende, vergrote en gemoderniseerde Utrecht Centraal. Advies- en ingenieursbureau Movares had een groot bouwkundig aandeel in deze megaklus. Dankzij hun slimme ingenieurs ging een wereld voor me open, van trillingsonderzoek en bouwontwerp tot installaties en spoorontvlechting, en van vistrappen tot duurzame havenaanleg. Ik leverde tekstwerk voor hun website en personeelsmagazine en maakte mijn debuut in het stoere vakblad Civiele Techniek.

 OfU-animatie en Hovenier Dassen

Later in het jaar kwamen er andere bedrijven op mijn pad. Voor Hovenier Dassen bouw ik met Hans Smeijsters van Grifontwerp

[link] een website. Met Tupilac Studio redigeerde ik een voice-overtekstje voor een animatie over Ondernemersfonds Utrecht: elk woord op een goudschaaltje.

B, Hallo!

Oude klanten bleven trouw mijn diensten inschakelen. Zoals het mooie en urgente magazine B van de Borstkankervereniging, waarvan ik sinds het eerste nummer geen gemist heb met een of meer bijdragen. Moeilijk soms maar altijd dankbaar werk.

Van een geheel andere orde is de Hallo! Lunetten, een positief gestemd wijkmagazine dat buurtgenoten verbindt. Met een team vrijwilligers maakten we vier frisse uitgaven van ons eigen, huis-aan-huis verspreide wijkmagazine. Het eerste nummer van dit nieuwe jaar mocht ik leiden als mede-eind- en gasthoofdredacteur.

Hoofdredacteur

Aan OR Informatie werk ik sinds 2004 mee. Nog in dienst van Derix*Hamerslag hadden we het complete blad zelfs een tijd in beheer. Later keerde het terug in de schoot van Kluwer, waarna Vakmedianet het overnam. Hoofdredacteur Marion Winnink stond tien jaar aan het roer. Al die tijd hebben we plezierig samengewerkt, en vaak droeg ik eigen artikelideeën aan. Eind december droeg ze me voor als haar opvolger. Het klikte met uitgever Roel van Rijk, en vanaf nummer 1-2 van jaargang 2017 mag ik me de nieuwe hoofdredacteur noemen. Tot eind mei, want daarna wordt de uitkomst duidelijk van allerlei verschuivingen, fusies en overnames die eraan komen.

 

Hoe grote uitgevers (niet) werken

(Deel 2 van 2)

 Ik schrok toen ik de brief van onze uitgever opende. Nog los van de grammaticale fouten begon hij met de foutieve mededeling dat wij, Paul en ik, werkten aan een interviewboek. Dit werd de voornaamste reden om onze aanvraag af te wijzen (naast dat de juryleden ons niet kenden en wij geen lid van de journalistenvakbond zijn, maar dat is een ander verhaal). Die uitgeversbrief lag namelijk bovenop het stapeltje dat de juryleden onder ogen kregen. Ons projectplan hebben ze niet eens gelezen. Waarom zouden ze ook, wanneer in de spelregels van het Fonds staat dat ze geen interviewboeken steunen. De mail waarin wij erop aandringen die uitgeversbrief alleen op de laatste zinnen te beoordelen, kwam ook niet bij hen terecht. Met een afwijzing tot gevolg.

Navraag bij de beroepsopleiding voor huisartsen, waar onze uitgever ‘zijn netwerken voor ons inzette’ om aan de vereiste bulkafzet te komen, leerde ons dat hij aan het verkeerde loket had aangeklopt.
In de maanden die volgden bleven onze contactverzoeken onbeantwoord.

Later hoorden we van de telefoniste van de uitgeverij dat onze snelle jongen er niet meer werkte. Waarom zou je dat ook laten weten aan je schrijvers – degenen die voor jou het brood verdienen – als je toch al nooit reageerde op hun vragen?

Ruim anderhalf jaar na het juichende onthaal op de uitgeverij begrepen we van ons eerste contact daar, dat we eerst maar eens moesten laten zien wat we geschreven hadden. Dan kon zij wellicht wat voor ons doen. Dit begrepen we. We waren intussen begonnen de 44 interviews met doktoren thematisch uit te werken in hoofdstukken. Dat boek moest er immers komen, desnoods zonder steun.

Van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) vernamen we onlangs dat, tijdens het eerste weekend van april, de tweejaarlijkse Huisartsenbeurs plaatsvindt. Een van de participanten aldaar: onze uitgever. Die kon weten dat wij inmiddels al flink gevorderd zijn met onze tekst.

Deze vakbeurs was uiteraard dé gelegenheid voor de uitgever om ons project in het zonnetje te zetten en aan te prijzen bij de beroepsgroep. Een betere kans is er niet. Die komt pas weer over twee jaar; te laat dus.

Maar nee, op dat idee kwamen ze niet bij de uitgeverij. De grootste in zijn soort. Bij de uitgeverij draait het om het eigen inkomen en winsten voor de aandeelhouders, niet om enig maatschappelijk belang dat een van hun uitgaven mogelijk vertegenwoordigt.

Noem ons naïef. Maar voor ons verschafte dit zoveelste bewijs van wat deze uitgever niet doet, ook duidelijkheid. Voor zover het al niet duidelijk was dat we deze uitgever in elk geval niet de gebruikelijke 90 procent beloning gunnen waarmee zij doorgaans gaan lopen. Voor welke inspanning krijgen ze die beloning? Tja, dat vragen wij ons ook af. Het enige dat ze voor ons gedaan hebben, deden ze onder druk, en dan zó verkeerd dat het ons een werkbeurs kostte.

Je zou kunnen overwegen een schadevergoeding te eisen. Maar daar beginnen we niet aan. Want juridische rugdekking, daar is de uitgever dan weer wel goed in. Ons kost het al genoeg tijd en inspanning om ervoor te zorgen dat dit boek er komt.

Wij gaan het dus zelf doen, dat doktersboek uitgeven. In de hoop dat de beroepsgroep ons hierin daadwerkelijk steunt.

Hoe grote uitgevers (niet) werken

(deel 1 van 2)

 Als er geen boek bestaat over hoe het is om huisarts te zijn, dan maken wij dat boek. Vonden Paul en ik. Want de huisarts luistert naar iedereen, maar wie luistert er naar de huisarts?
Wij dus.

We schreven een werkplan en peilden dit bij dokteren, opleiders van dokters, vertegenwoordigers van de branche en andere professionals in de zorg. Goed idee! vond iedereen. Dat boek moet er komen!

Enthousiast benaderden wij een uitgever, meteen maar de grootste op het gebied van (huisartsen)zorg. Ze wisten niet hoe gauw ze ons moesten uitnodigen. Wij naar Houten. Niet één maar twee uitgevers ontvingen ons in hun bastion met tromgeroffel en klaroengeschal. We legden ons plan voor (en lieten doorschemeren dat we er nog een paar in de la hebben liggen). Ze smeerden stroop en wekten de indruk alsof ze al tijden op ons zaten te wachten. ‘Hoeveel tijd hebben jullie de komende jaren?’ Ze kibbelden over wie van hen ons plan het best bij welk fonds kon “wegzetten” en uiteindelijk ging de snelle jongen ermee aan de haal.

We krabden ons achter de oren. Maar dachten: als het hem niet lukt, hebben we nog de sympathieke dame die ons heeft uitgenodigd.

Intussen bleken veel dokters bereid hun gedachten en hun zorgen met ons te delen. We maakten afspraken en interviewden huisartsen door het hele land, in geanimeerde gesprekken die meestal uren duurden. Onze indruk groeide dat we werkten aan een zinvol en waardevol project. Ook al werkten we voorlopig voor nop.

Toezeggingen voor steun en afname van ons boek die we links en rechts ontvingen, bleven meestal in de lucht hangen. We vroegen een werkbeurs aan bij het Fonds bijzondere journalistieke projecten. Daartoe hadden we een brief nodig waarin de uitgever verklaart dat hij ons boek wil uitgeven als het straks aan zijn verwachtingen voldoet. Die verklaring kwam maar niet. We spraken de voice mail in van onze snelle jongen en stuurden hem e-mails, maar zijn reactie bleef uit en we misten de inschrijftermijn.

Bij de volgende termijn voerden we de druk op. We spreken al met een andere uitgever maar blijven liever bij jullie. Het hoeft maar een kort briefje te zijn, desnoods schrijven we het zelf.

Hadden we dat maar gedaan.

Op de allerlaatste dag kregen we dan eindelijk de intentieverklaring van de uitgever. In de begeleidende mail wees hij erop dat hij de toezeggingen voor bulkafname die hij nodig had nog niet had ontvangen. Niettemin zond hij ons met de nodige mitsen en maren toch deze intentieverklaring.

(Wordt vervolgd…)

 

Duurder of goedkoper uit door de huisarts?

In de Volkskrant van maandag 14 december 2015 opent dermatoloog Frans Rampen de aanval op de rol van ‘de’ huisarts als poortwachter voor de gezondheidszorg.

Rode draad in Rampens opiniestuk is dat veel wantoestanden de schuld zijn van de huisarts. Landen met het poortwachtersysteem, zoals Engeland, Ierland en Nederland scoren slecht op het gebied van onder meer kanker, baby- en kindersterfte en sterfte tijdens de zwangerschap. Tenminste, dat is zo volgens de Euro Health Consumer Index (EHCI). Ook onze gemiddelde levensverwachting uitgedrukt in gezond levensjaren is laag voor Europese begrippen. Op deze ranglijst onder de naam HALE (healthy life expectancy) zijn we bovendien omlaag geduikeld van posities 3 (mannen) en 5 (vrouwen) in 1990, naar posities 10 en 16 in 2013.

Oorzaak van dit alles is volgens Rampen het poortwachtersysteem, dat de huisarts noopt tot specialistische handelingen waarvoor hij onvoldoende is opgeleid.

Verder bestrijdt Rampen de opvatting dat het poortwachtersysteem onze gezondheidszorg betaalbaar houdt. Dit is nooit bewezen, meent hij. Na Zwitserland, Noorwegen en IJsland is ons stelsel nog altijd het duurste. Citaat: “Strikt genomen is voor vergelijkbare zorg (!) de huisdokter even duur als de specialist en de specialist even goedkoop als de huisdokter.”

In november jl publiceerde Rampen het boekwerk Zorgwekkend, de huisarts als poortwachter. Hierin staan meer voorbeelden van rapporten die de mankementen van het poortwachtersysteem, waarop toch menig huisarts trots is, volgens Rampen aantonen.

Een week later slaat huisarts Jos van Bemmel terug. “Niets meer dan een luchtbel zonder wetenschappelijke onderbouwing”, oordeelt hij over Rampens aanval. Van Bemmel ziet allerlei rampjes optreden wanneer Rampen zijn zin krijgt. Zo zullen dagelijks busladingen vol “patiënten met een plekje” in diens wachtkamer worden geloosd.

“Los van de logistieke onmogelijkheid om zoveel mensen dagelijks in het ziekenhuis te ontvangen, hangt er ook een gigantisch prijskaartje aan het voorstel van Rampen om de huisarts maar af te schaffen. De eerstelijnszorg door de huisarts kost de maatschappij circa 2 miljard per jaar. De tweedelijnszorg ongeveer het tienvoudige. Zonder huisarts zal de gezondheidszorg pas echt onbetaalbaar worden.”

Maar de gezondheidszorg gaat natuurlijk over veel meer dan alleen kosten. Jos van Bemmel zegt het zo.
“Als iedereen gelijk toegang tot het ziekenhuis heeft, zullen veel mensen onbedoeld zieker gemaakt worden. De bijwerkingen die nu eenmaal kleven aan medisch onderzoek en handelen, de zogenaamde iatrogene schade, zal exponentieel toenemen.
Mensen zullen zieker gemaakt worden door overbodig en soms ronduit gevaarlijk diagnostisch onderzoek en door onnodige operaties met daaruit voortvloeiende complicaties. Als er maar genoeg onderzoek gedaan wordt, vindt de dokter altijd wel iets dat behandeld kan worden.”

Hij neemt de vroegtijdige opsporing van kanker als voorbeeld.

“Kanker zal misschien iets vroeger ontdekt worden, maar het is de vraag of dit ook tot een langer en gezonder leven leidt. De meeste landelijke screeningprogramma’s voor vroegtijdige opsporing van kanker, zoals het uitstrijkje, hebben maar een zeer geringe invloed op de levensverwachting, terwijl de iatrogene schade groot is.”

Moeten we nog uitleggen waarom we zoveel van onze huisdokters houden?

Teksten als vensters

(Bedrijfspresentatie Broodfonds Meerwaarde, Amersfoort, 4 november 2015 – korte versie)

Schrijven is mijn vak. Inclusief redigeren, wat ik bijna even leuk vind: andermans teksten dusdanig bewerken dat we er samen het beste uithalen.

‘Schrijven’ is een breed begrip, dat enige toelichting behoeft. Ik schrijf in opdracht, commercieel en journalistiek, en uit eigen beweging schrijf ik ook. Het is namelijk veel meer dan een vak; het is de rode draad in mijn leven. Mijn eerste verhaaltjes dateren van toen ik 10 was.
Waarover schrijf je dan? vragen mensen wel eens. Tegenwoordig antwoord ik meestal: over de zorg en aanverwante gebieden, bijvoorbeeld voor het magazine van de borstkankervereniging. Dat zijn medische artikelen en ‘human interest’. Over medezeggenschap schrijf ik al ruim tien jaar in het vakblad OR informatie. Daarbuiten schrijf en redigeer ik over tal van onderwerpen voor zeer uiteenlopende klanten. Van een vacaturetekst voor de Universiteit van Utrecht tot de e-mailnieuwsbrief voor een softwarebedrijf of een seminarverslag voor een adviesbureau. Blogs voor de Communicatiekring en artikelen voor een huis-aan-huis wijkmagazine. Daarom is het betere antwoord op de vraag waarover ik zoal schrijf: in principe kan ik schrijven over elk onderwerp in elke branche. Als ik maar voldoende informatie krijg.
Een voorbeeld. Op eigen initiatief werk ik aan een boek over het vak van de huisarts. Hoe is het om huisarts te zijn? Na het geval dat eindigde met de tragische zelfdoding van dokter Tromp in Tuitjenhorn, fascineerde die vraag mij dusdanig dat ik besloot het te gaan onderzoeken. Samen met mijn schrijfkompaan Paul Peijnenburg, voor wie ik eerder al zijn boek over een hospice redigeerde.

Hoe doe je dat, schrijven over het huisartsenvak als je er zelf geen bent? Om te weten wat dat betekent in deze lastige tijden, ga ik met huisartsen in gesprek. Over hun vak. Ik begin bij mijn eigen, inmiddels gepensioneerde dokter. Op die manier ontdek ik wat de centrale thema’s zijn waarmee zij in hun vak te maken krijgen.
Vervolgens spreek ik mensen van de belangenvereniging en met de hoofdredacteur van het blad De Dokter. Wat maakt deze beroepsgroep interessant? Waar worstelen jullie leden mee? Op grond van de vergaarde informatie hebben Paul en ik een reeks prikkelende stellingen geformuleerd. Met die stellingen in de hand interviewden we veertig dokters, jong en oud, aankomend en gepensioneerd, solisten en groepspraktijkleden, plattelandsdokters en praktijkhouders in Amsterdam West, van de Schilderswijk tot in Wassenaar, van Limburg tot in Groningen en van Zeeuws Vlaanderen tot in Friesland. Met een zwaartepunt in de Randstad want daar wonen nu eenmaal de meeste mensen die een dokter nodig hebben. Zoals wij allemaal patiënten – en als het aan minister Schippers ligt: ‘cliënten’ zijn van een dokter.

Je kunt je afvragen: waarom schrijf je een boek over huisartsen als niemand je daartoe een opdracht geeft? Denk maar niet dat je er rijk van wordt. Overal werden we met open armen ontvangen met ons boekplan, de grootste uitgever in de gezondheidsbranche was meteen geïnteresseerd, de Landelijke Huisartsenvereniging denkt met ons mee, de Beroepsopleiding wil ons boek mogelijk in bulk afnemen als het af is – maar niemand komt over de brug met geld dat nodig is om het te kunnen schrijven. Dus doen we het tussen de bedrijven door, omdat we het belangrijk en boeiend vinden. De huisarts is een soort poortwachter: niet alleen voor betaalbare zorg in Nederland, maar voor de grote veranderingen die zich in onze samenleving voltrekken. Daarom denken wij dat een portret van dit mooie, menselijk vak voor veel meer lezers interessant is dan voor de beroepsgroep alleen. Nu moeten we enkel nog even de financiering op de rit krijgen. Als iemand van jullie nog tips heeft, bijvoorbeeld op het gebied van crowdfunding: ik hou me aanbevolen.

Ik noem dit project omdat het iets zegt over hoe ik in het vak sta. Als schrijver word je niet rijk in centen maar wel in ervaringen. Dankzij dit beroep sprak ik al zoveel interessante mensen die ik anders vermoedelijk nooit had gesproken, en leerde ik instellingen en bedrijven en professionals kennen die ik anders niet had gekend.
Neem een voorbeeld van Meerwaarde uit de kring van dit Broodfonds. Afgelopen voorjaar mocht ik Tineke Kolvenbach helpen met het opfrissen (en inkorten) van de teksten op haar website en het vereenvoudigen van de site-structuur. Tineke kende ik al, maar zonder mijn vak had ik haar mooie vak niet van zo nabij leren kennen. Zij is haptotherapeute. Dat leek me voorheen iets zweverigs, maar het tegendeel bleek waar.

Zulke ervaringen verruimen mijn blik. Ze verschaffen mij stof voor een derde poot onder mijn activiteiten: het schrijven van fictie. Dat is het ultieme bewijs dat schrijven méér is dan een vak; want niemand zit te wachten op een nieuwe roman van een onbekende auteur. Maar dat verhaal hoort thuis in een andere context dan deze.
Intussen moet ook bij mij de schoorsteen roken van tijd tot tijd. Vandaar dat ik niet alleen werk aan eigen projecten, maar graag nieuwe klussen aanneem naast de teksten en artikelen die ik min of meer regelmatig schrijf voor vaste media. De laatste jaren zijn er geregeld klanten afgehaakt. De reden is meestal bezuiniging, een nieuwe communicatiemedewerker die zijn eigen netwerk meebrengt of een combinatie van beide.

Vandaar dat ik vorig jaar mijn eigen website heb opgetuigd. Een van de moeilijkste klussen die ik deed, want: zonder deadline, en over je eigen praktijk. Net zoiets als een speech over jezelf schrijven. Een website is, behalve een bron voor professionele informatie, namelijk ook een PR- instrument. Het zit dicht tegen de reclame aan. Zo verzon ik voor mijn site de slagzin:

Teksten als vensters.
Ik merk soms dat deze vergelijking uitleg vergt. Kijk je naar de essentie van wat welke tekst dan ook doet, dan is dat altijd een vorm van communicatie. Het gaat erom dat je je boodschap zodanig formuleert dat de lezer direct zicht krijgt op de boodschap. Afhankelijk van de aard van die boodschap passen we de vensterkeuze aan. Sommige boodschappen komen het best tot hun recht achter getint glas, zoals in de ramen van sommige bedrijfswagens. Een commerciële boodschap behoeft wellicht roze brillenglas, of misschien licht verhullend of stilerend melkglas, of zelfs ouderwets rookglas.

Waar het om gaat is dat je met een tekst, de structuur, de woordkeus, zinsbouw, toon, enzovoort altijd kleur geeft aan de boodschap. De tekst ís niet de boodschap, maar een representatie ervan.
Voor mij als schrijver geldt: de diverse tekstvormen komen in wezen op hetzelfde neer; als je eerst maar vaststelt wat het doel is van de tekst. Daarom maak ik geen principieel verschil tussen pakweg journalistiek en bedrijfsjournalistiek of zelfs fictie. Het betreft voornamelijk een schaalverschil.

Die fictie leent zich goed als voorbeeld van wat ik bedoel. Tussen plat vermaak en hoogstaande literatuur bestaan evenveel gradaties als dat er schrijvers zijn. Het is allemaal een kwestie van aandacht en kwaliteit. Je hebt platte thrillers die alleen om de ‘whodunit’-vraag handelen, tot boeken in hetzelfde genre die tot de literatuur ofwel tot kunst gerekend mogen worden.‘Fifty shades of grey’, zou ik haast zeggen, volstaan in de verste verte niet om die gehele kleurenwaaier te omvatten.

Waarmee ik maar wil zeggen. Mocht jij behoefte hebben aan verse tekst voor je onderneming, wil je een website of een jaarverslag laten maken, zoek je iemand die een interview kan houden, die een aansprekende blog of zelfs of een speech kan schrijven: ik hou me aanbevolen.
Dank jullie voor je aandacht.

Het roer om?

Zou het dan toch lukken? In juni plakte de huisartsen-actiegroep Het roer moet om een manifest op de gevel van het Ministerie van Volksgezondheid en startte een intekenactie. 7800 artsen ondertekenden het manifest: tegen de Mededingingswet en het product-denken, vóór gelijkwaardigheid, wederzijds vertrouwen, samenwerking in plaats van concurrentie, minder dataverzameling en administratieve overbelasting, en vóór de behandeling van een patiënt als persoon in plaats van als de schadelast waarvoor hij door de ziektekostenverzekeraars wordt aangezien.

Begin oktober kwam het verlossende bericht: Minister Schippers en de zorgverzekeraars zijn om, de dokters krijgen grotendeels gelijk en aan hun grieven wordt voor het tegemoet gekomen. De Volkskrant besteedde er artikel aan op 6 oktober onder de kop: Huisarts vecht zich uit wurggreep verzekeraar.

Het actiecomité kwam in juni met een eigen boekje: Help! de dokter… (Bureaucratie, wantrouwen en ongelijkwaardigheid in de praktijk) dat ik had gemist.

Hoezeer ik ook de dokters feliciteer – van harte met jullie welverdiende succes! –, op het moment dat dit tot me doordrong zakte me heel even de moed in de schoenen. Het deel waaraan ik schrijf onder de werktitel Paal en perk, teugel en regel komt grotendeels overeen met Help! de dokter. In reactie op onze stellingen laten ‘onze’ veertig geïnterviewd dokters zich onomwonden uit over regelgeving en financiering, marktwerking, de verzekeraar die op de stoel van de dokter zit en anderzijds met twee maten meet, de standaarden en de Inspectie.

Is dit deel overbodig geworden? Ik vreesde het even maar nee, het moet alleen een beetje aangepast. Om te laten zien waar dokters tegen streden, en hoe terecht het is dat ze hun zin krijgen door de macht van het collectief te laten gelden in een beroepsgroep die, geheel eigen aan de manier waarop het beroep wordt uitgeoefend, heet te bestaan uit eigenwijze individualisten. Al is dat laatste iets wat we zien verschuiven. En gelukkig telt ons boek-in-wording nog meer delen, onder de titels:

De dokter kan het niet meer alleen – of wel?

Midden in de veranderende maatschappij

De dokter is ook maar een mens

Toch is er geen mooier vak

De jonge garde & de toekomst

Binnenkort schuiven we aan tafel met vertegenwoordigers van de actiegroep. Niet omdat we een spreekbuis van hen willen worden, maar om ook die interessante ontwikkeling niet te missen. Nieuwsgierig geworden? Verspreid dit blog onder doktoren, wij berichten hier over de voortgang.

Ga naar de bovenkant