tekst-blog

Fondswerving voor Borsthonger


Eindelijk, op deze prachtige palindroomdatum is het dan zover: vandaag is mijn campagne gestart voor de roman waar ik zolang aan werkte.
Er waren vrienden die zich afvroegen of het er ooit echt van zou komen. Grapjes werden gemaakt dat ik aan dit boek tot in lengte van dagen zou blijven sleutelen en het met me mee zou blijven zeulen zoals een huisjesslak zijn slakkenhuis.
Die grappen kunnen binnenkort in de prullenbak. Ik twijfel er niet aan of mijn geplande boek gaat straks genoeg stof opleveren voor nieuwe grappen.

Maar daarmee loop ik op de zaken vooruit. Eerst is er vanaf vandaag de campagne, via crowdfundingplatform Voordekunst. Hij loopt vanaf 22022022, tot 26 maart aanstaande.
Die campagne is nodig omdat het best wat kost tegenwoordig, in eigen beheer een boek uitbrengen. Het wordt een flinke pil van een kleine 350 pagina’s, en vormgever Edwin Smet heeft de formaten opgerekt om het ingepakte boek door de brievenbus te laten passen. Maar dan heb je ook wat.
Alhoewel, dat oordeel is aan de lezer. Die kan binnenkort, om precies te zijn vanaf 4 april wanneer het boek kan worden verspreid, gaan lezen. Daarna hoor ik uiteraard graag wat je ervan vindt.

Zover is het nog niet, ik ben nog bezig met de proefcontrole en volgende maand wordt het opmaakproces afgerond.
Maar jij kunt mij wel alvast op weg helpen zodat het gaat gebeuren. Kijk op mijn campagnepagina, maak een keuze, en doneer. Mijn dank is groot!

https://www.voordekunst.nl/projecten/13511-uitgave-van-mijn-roman-borsthonger-1

 

Spiderman in Utrecht

In het aardedonkere huis van vrienden in de Zuid-Franse Aveyron, droomde ik mijn eigen variant op de avonturen van Spiderman – de enige Marvel-held naar wie ik met plezier heb gekeken. Ik verkeerde in het gezelschap van een bekende Utrechtse dichter, een beminnelijke man die ik oppervlakkig ken, maar evengoed bewogen wij eensgezind en vloeiend langs de gevels. Toen ik in de totale stilte ontwaakte, bleef de combinatie van klanken in zijn naam resoneren met datgene wat ons aan die gevels had doen kleven: spinrag.
Ik kon niet anders dan het spel aangaan met deze klanken en beelden in mijn hoofd, daar in die zwarte nacht tussen de massieve muren. Totdat ik iets had gesmeed dat ik een gedicht wil noemen.

 

Spinrag

Ik hing met Ingmar H. samen

– hij mijn spinman

ik niet de zijne –

als spinrag aan de

met klimaf begroeide gevels

van het oude waterwingebouw

 

waar het peil achter de ramen

al klotsend steeg

een inham in de tijd

maar waar wij klimmende kwamen

koude stilte manend zweeg.

 

 

 

 

 

Afbeelding van macrotiff via Pixabay

Bach en pa

Bij DWDD werd een hommage gebracht aan de Goldbergvariaties van Bach. Drie pianisten van verschillende snit en generatie speelden de inleidende aria plus nog een variatie. Die variaties doen me steeds aan Cyril denken, de vriend van mijn jeugd die door zijn veel te jonge overlijden geen fouten meer aan de dag heeft kunnen leggen en daarmee een status verwierf die alleen maar onaantastbaarder wordt. We draaiden altijd de piano-uitvoering van Glenn Gould, ik vond het prachtig maar wel net een paar variaties te veel.

Terwijl de pianisten achter hun vleugels hun vertolkingen brachten, viel mijn oog op een beeltenis boven hun hoofden: het hoofd van Bach, een ander dan het schaarse portret dat op elke hoes staat. Hierop is hij iets jonger en kijkt schuin omhoog – precies mijn vader op de laatste foto die zus Tanya van hem maakte, alleen was Johan Sebastiaan wat dikker dan Willem Adriaan.

Zo zit ik nu, op een winderige maandagavond half februari, een week na de 60ste geboortedag van Cyril, te luisteren naar die opname uit een tijd toen ik nog niet eens geboren was. En verbaas me weer over de rijkdom aan muzikale ideeën. En over de vreemde draden die telkens zichtbaar worden tussen Cyril en mijn familie, eens via vermiste broer Hans en diens verloren jas met in de binnenzak mijn vaders brief, en nu weer in het klinken van de componist die zo op mijn vader blijkt te lijken.

Bachportretten

 

 

Pieta gaat verhuizen

De klap van een dichtgegooide voordeur dreunt door het huizenblok. En nog eens, en nog een keer. Even daarvoor een vrouwenstem: Goedemorgen Pieta, hoe gaat het vandaag? Zoals elke dag rond halfnegen sinds de buurvrouw tweemaal daags hulp krijgt van de thuiszorg. Het is zondag, een dag voor oudjaar. Over een kwartiertje zullen we die dreunende deur opnieuw horen als de thuiszorgmevrouw weggaat. Bij mijn weten komen er alleen vrouwen. Vrouwen met engelengeduld, omdat ze weten dat ze tegelijk optreden als engelen des doods. Want als de thuiszorgmensen eenmaal komen, liggen er nog twee mogelijkheden voor je open: verhuizen naar een verpleeghuis, of het pand verlaten tussen zes planken. Of, vooruit, als tussenweg, op een draagbaar van de ziekenwagen.

Pieta staat vooralsnog de eerste optie te wachten. Dat hoorden we – Louise en ik, haar buren aan de ene zijde – de afgelopen weken, toen we even gingen kijken hoe het met haar ging. Wij wonen een kleine 22 jaar naast Pieta. In maart wordt zij 92, mocht het niet al te snel bergafwaarts gaan. Zij woont hier als ik me niet vergis vanaf het begin van deze wijk, rond de veertig jaar dus. We hebben haar zien veranderen van een vriendelijke senior die mooi kon vertellen over haar tijd als verpleegster en hoofd OK in het Diakonessenziekenhuis, tot de kwetsbare, dementerende dame van nu. Dit verklaart ook waarom ze niet meer weet dat je de voordeur sluit door hem dicht te duwen en daarna pas de klink omhoog te draaien. Haar buurmannen van de andere kant, met wie ze amper contact heeft, gingen een keer klagen over dat gedreun en gegooi met die deuren. Ik denk dat ze zijn geschrokken van haar broze toestand.

Ik ging weleens bij haar langs, eens in de paar maanden. Louise ging veel vaker sinds zij haar eigen tante en moeder ten grave droeg. Nogal doof was Pieta zolang we haar kennen, wat voor ons vooral voordeel bood met drie opgroeiende meiden en een piano, veel muziekliefde en feestjes. Ze vroeg me weleens wie er nog allemaal thuis woonde, en hoe de jongste ook weer heette. Behalve wanneer ik op de oranje huiscrocs liep, maakte ze een compliment over mijn schoenen. Maar op zeker moment wist ze niet meer precies hoeveel kinderen wij hebben. En ging ze vragen stellen als: had je niet liever zonen gekregen?

Op den duur zagen we haar vaker voor het raam staan, bijvoorbeeld als we in of uit de auto stapten. Dan zwaaide ze vriendelijk. Een keer klaagde ze dat er nooit iemand voorbijkwam in die saaie straat. Maar dat voor het raam staan veranderde van karakter. Haar gezichtsuitdrukking, de waterige ogen ver opengesperd, kon ik onlangs alleen nog als ‘verbijsterd’ omschrijven. Ze werd buiten voor de deur aangetroffen met haar jas aan, wachtend tot ze werd opgehaald om naar de kerk te gaan, wat ze al jaren niet meer doet. Haar halfzus Coby kwam ons eens geschrokken halen toen Pieta was gevallen. Ik moest haar met Louise overeind tillen en in het bed leggen dat toen al beneden stond. Steeds vaker was ze de sleutels kwijt of gebruikte ze de verkeerde bos, zodat wij moesten opendoen voor de thuiszorger. Op het laatst gaf ze Louise een hand wanneer zij aan de deur kwam. We zagen haar de grip kwijtraken en verdwalen in het aangetaste landschap van haar geheugen, tot er vrijwel niets meer restte dat houvast gaf. Het was verdrietig om te zien, ook al hebben we dat al eerder meegemaakt met Louise haar moeder.

Gingen we vaak genoeg op bezoek? Ik had best vaker koffie kunnen gaan drinken, al was het maar een half uurtje. Gelukkig kreeg ze nog redelijk veel aanloop. Pieta is een paar maanden ouder dan mijn moeder. Die woont niet naast de deur maar op 165 km afstand. De achterliggende vraag is of ik vaak genoeg bij mijn moeder op bezoek ging de afgelopen jaren. Het antwoord laat zich raden. Zes of acht keer per jaar is natuurlijk bij lange na niet genoeg voor een zoon om zijn moeder te bezoeken. Daarom bel ik haar elke week. Zij woont tot haar tevredenheid nog op zichzelf, met enkele keren per week hulp van de thuiszorg en mijn zussen die wekelijks een vaste dag bij haar aankomen. En twee broers die dat om de paar weken doen; de een met regelmaat, de ander wanneer het zo uitkomt.

Toen ik haar vandaag belde, merkte ze op dat ze nu toch wel erg oud begint te worden. Ik wees haar erop dat ze daar toch al een tijdje mee bezig was, maar dat wimpelde ze flauwtjes lachend weg en ze staafde haar constatering met een paar weinig opbeurende voorbeelden. Het is te hopen dat ze nog even in haar eigen huis kan blijven wonen. Voordat de dagelijkse thuiszorgengelen ook voor haar komen en zij op die onvermijdelijke tweesprong belandt.

Pieta is intussen verhuisd naar haar kamer in het verzorgingstehuis; ons buurhuis staat nog leeg voorlopig, in afwachting van nieuwe bewoners. Aan Coby vraagt Pieta nu om de paar minuten: dus hier moet ik blijven?

Dat hebben wij eerder meegemaakt.
Zij nog niet.

Valappels – is gratis eten waardeloos?

Zodra ik de boomgaard rond de moestuinen binnenstap verwelkomt de geur mij. Ik loop rond en raap valappels. Wespen zoemen laag over de grond. Ik raap sterappels zoals ik ze plukte in de boomgaard van mijn opa. Notarisappel, zoete bloemé, goudrenet schone van Boskoop, dubbele bellefleur, Groninger kroon. Zoals ik de geuren adem proef ik de namen. Mijn emmer is snel vol. Hij is te klein en de bomen hangen nog vol. Ik kan mijn voet nergens zetten zonder een appel te pletten.

Veel valappels hebben kleine butsen of donkere plekken, gaatjes van wormen of wespen. Maar het meeste vruchtvlees kun je nog prima eten. Ik schil er een en hoef nog geen achtste weg te gooien. Een volle complexe smaak vloeit over mijn tong. Ik sleep ze mee naar huis, omdat ik van appels hou en van wat je ervan kan maken, maar ook omdat ze hier anders liggen te verrotten. Hoe kan dat? Waar zijn de andere tuinders? Slepen zij ook tassen vol mee naar huis, om er sap van te persen, ze uit de hand te eten, appelmoes te maken of compote of appeltaart? Of houden ze niet van appels?

De winkelschappen liggen vol exemplaren die glimmen van de was en goedkoop zijn ze niet. Toen er vorig jaar amper appels waren – onze boomgaard droeg vrijwel niks – klaagde iedereen. En nu de oogst weer overvloedig is laten we ze liggen. Zo zonde.
En ook vreemd vind ik dat. Is gratis voedsel waardeloos?

Niet alleen op ons tuinencomplex gaat het zo. Thuis om de hoek staat ook een klassieke sterappelboom. De vuurrode appels vallen op de grond en niemand die de moeite lijkt te nemen ze te rapen of te plukken. Terwijl het heerlijke appels zijn. In de huizen bij die boom wonen ook arme mensen. Houden zij toevallig niet van appels? Of is vers fruit te lastig? Vinden ze het vernederend ze te rapen? Misschien worden er steeds minder appels gegeten. Het raakt me op een manier die mijzelf verrast. Het lijkt iets kleins, de appel die in de vergetelheid raakt. Maar vertel dat maar eens aan Eva.Wanneer-zijn-appels-klaar-om-te-plukken

We creëren wat af

Als je er eenmaal op let is er geen ontkomen meer aan: de frequentie waarmee het woord ‘creëren’ gebruikt wordt. Voetbalverslaggevers en sporters spreken al tijden van het ‘creëren van kansen’ (je mag blij zijn als dit niet als ‘kanzen’ wordt uitgesproken). Zoals dat gaat nemen eerst de managers zo’n modeterm over en vervolgens gaat de rest van het volk ermee aan de haal. De godganse dag lijkt het wel of iedereen maar weet ik wat voor moois loopt te creëren. Terwijl er minder wordt gemaakt dan ooit. Onze handen scheppen – een mooi woord waar niks mis mee is, toch? Of is het te veel door godsdienst en scheppingsverhaal geïnfecteerd? – onze handen, zei ik, scheppen minder dan ooit tevoren in de geschiedenis van de mensheid. De meesten van ons verdienen de kost met het verplaatsen van lucht of bits en data. We laten het maken steeds meer over aan kinderhanden in lagelonenlanden en aan robots.

Is er compensatiegedrag in het spel? Het woord ‘creëren’ is verwant aan creatie en creativiteit. Door daaraan te refereren, willen we misschien verbloemen hoe weinig er letterlijk nog uit onze handen komt. Hoe weinig concreets we nog scheppen. We recreëren meer dan we creëren. Intussen willen we tonen dat we nog wel degelijk creatief bezig zijn en nieuwe zaken voortbrengen.

Maartse sneeuw

 

Sneeuw die zo warrelt

die niet weet ofwel

te zweven of te dalen

sneeuw die weifelt en waait

en het niet waagt de kille

straat te raken of

het grauwe gras te halen

sneeuw die weigert

zich neer te leggen

deze sneeuw gaat nimmer

’n witte deken weven.

Janssen & Janssen: speech

Er was een tijd dat ik geregeld speeches mocht schrijven in opdracht van directeuren en zulksoortige lieden die daar zelf geen tijd voor hadden. Speechschrijven is een heel specifiek ambacht dat ik met erg veel plezier uitoefende. Een mooi hybride vorm van schrijven op het snijvlak van bedrijfsjournlistiek en toneel.

Mijn schrijfmaat en vriend Paul Peijnenburg had me gevraagd om iets te komen vertellen op zijn nieuwste boekpresentatie. De griep hield mij helaas thuis. Maar gelukkig wilde Pauls vrouw Margriet mijn speech wel voorlezen. Zo was ik er toch nog een beetje bij.

Hier de integrale tekst.

Janssen & Janssen

 

Geachte aanwezigen, beste mensen, Peijnenburg,

Toen Peijnenburg mij verzocht om op zijn nieuwste boekpresentatie iets te komen vertellen, maakt niet uit wat, zijnde een Janssen, vroeg ik me eerst heel even af of hij nog goed in zijn bovenkamer was.

De volgende gedachte was: hij heeft wel lef. Dat siert hem dan wel weer.

Daarna: ik heb zijn nieuwe boek niet gelezen, net zomin als iedereen hier, op zijn uitgever en redacteur na dan. En misschien zijn echtgenote De Jager streepje Peijnenburg.
Dus wat heb ik erover te melden?
Daar komt bij: ik spreek niet graag in het openbaar.
Maar Peijnenburg zei: ik stuur je het manuscript op, dan heb je wat om op te schieten.
Ik sputterde nog wat tegen en mompelde dat ik nog wel zou zien.
Ondertussen dacht ik: dat had je gedroomd vader, ik kijk wel feestelijk uit. Moet ik ook nog helemaal voor naar Dokkum komen karren zeker. Grapjas.

Nou denken jullie misschien: nou nou, waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Wat ben jij voor een lastige vent? Waarom zou Peijnenburg die mopperkont überhaupt vragen voor een praatje?

Ik geef toe: als er wat te mopperen valt, dan doe ik dat graag. Naar believen en naar hartenlust. Maar nu dacht ik er ook een reden voor te hebben.

Het zit namelijk zo. Peijnenburg en ik gaan even terug. We begonnen in 1999 als collega’s bij tekstbureau Derix en Hamerslag. Een virtueel netwerkbureau wel te verstaan, wat betekent dat iedereen vanuit huis werkte. Toch verbreedde onze collegialiteit zich vriendschappelijk. Toen hij een boek maakte over zijn verblijf in een hospice, mocht ik zijn redacteur zijn.

Die samenwerking beviel dermate goed, dat we besloten dat we meer boeken wilden maken samen. Gewapend met ons doortimmerde plan voor een boek over hun dagelijkse werk, bezochten we ziekenhuizen, weeshuizen, rechtbanken en gevangenissen. Iedereen vond het een goed idee, overal werden we met open armen ontvangen. In de gevangenis van Dordrecht liepen we zelfs een tweedaagse stage met toestemming van Dienst Justitiële Inrichtingen. Maar toen gebeurde ook daar een variant op wat we elders meemaakten. Hier jaste de minister er een bezuiniging van miljoenen doorheen, en ons plan viel af.

Toen werd ik gegrepen door het vak van de huisarts en besloot daaraan een boek te wijden. Peijnenburg wilde meteen meedoen. We interviewden veertig artsen, werkten ruim twee jaar aan dat boek, overwonnen alle mogelijke tegenslagen, stapten van een grote uitgever over op een kleinere. Begin vorig jaar was het zover: ons boek lag er. Nu stonden we dus samen op een boekomslag: Janssen en Peijnenburg.

Voor hem was het zijn derde boek. Mooi constante productie trouwens: in 2015 Momentopnamen en Oallavag’gi, in 2016 Een fijn huwelijk, in 2017 onze gezamenlijke liefdesbaby Onder Doktoren.

Zijn eerdere romans las ik met veel plezier. Onder Doktoren was nog maar kort in omloop of hij belt dat hij aan een nieuw boek werkt.

Ik: ‘Leuk! Hoe gaat het heten?’

Hij: ‘Wat dacht je van “Janssen”?’

‘Haha, grappig! Maar nu serieus.’

‘Dat was ik. Serieus.’

‘Serieus? Jaja… Wat is er mis met, bijvoorbeeld, De Vries?’

‘Bij dit personage past maar één naam en dat is Janssen. Hij IS een Janssen.’

Ik zal jullie niet met alle details lastigvallen, maar er ontspon zich een ongemakkelijk gesprek. Waarin ik mij afvroeg hoe hij het NIET raar kon vinden dat ik moeite ermee had dat hij mijn naam op zijn omslag ging gebruiken, niet als mede-auteur maar nu als titel. Hoe ik dacht dat IEDEREEN die dit leest er niet omheen kon om te denken dat dit nieuwe verhaal om mij ging of op zijn minst op mij gebaseerd of geïnspireerd was.

Peijnenburg bleef uiterst kalm op zijn onwrikbare standpunt zitten. De sfeer werd ietwat ijzig, toen ik suggereerde dat ‘zijn’ Jansen er dan ten minste eentje was met één ‘s’.

Maar nee, ook die concessie kon hij mij niet toestaan.

Dat was slikken.

‘Ik denk dat je daarmee de deur dichtsmijt voor nog zo’n samenwerking tussen ons, broeder Peijnenburg.’

‘Ik denk dat dat wel meevalt, makker Janssen.’

Kent u dat, mensen, dat je er even niet uitkomt met z’n twee?

Enfin. Zoals dat gaat. Als een Peijnenburg iets wil dan doet hij dat gewoon. Ook al gaat een Janssen op zijn kop staan. Ik werkte aan mijn eigen boek. We bleven mekaar bellen en opzoeken. Op zeker moment denk ik: waar maak ik me druk over?

Maar toch. Toen hij vroeg of ik iets over Janssen wilde vertellen op deze presentatie, merkte hij mijn aarzeling. Een Peijnenburg weet precies hoe hij een ijdeltuit als ik over de streep moet trekken. Hij zei dingen als: Jij bent de beste Janssen die ik ken. En ook: Ik wil met je pronken. Nee, deze Peijnenburg vleit als de beste. Dat is ook zijn métier: lezers inpakken en meenemen met zijn woorden. Hij is een vakman.

Dus ja, wat moet je dan nog, als eenvoudige Janssen. Toen zei ik maar: stuur eens wat op van die Janssen van jou.

Ik lees een paar bladzijden. Janssen ligt in het ziekenhuis. Heeft niks meegemaakt. Ja, bij de PTT gewerkt. Hoofd sorteerafdeling. Heeft geen trek. In ziekenhuisvoer. Wel in een sigaret. Maar die liggen thuis. En dan die hoestbuien.

Afgemeten zinnen. Die de amechtige kortademigheid van deze treurige figuur onderstrepen. Een patiënt. Zijn wij niet allen vroeg of laat patiënt?

Die ziekenhuisomgeving. Dokters. Janssen & Peijnenburg. Juist, we zijn weer thuis!

Janssen, mensen: léés dat boek! En zegt ook voort: Janssen & Peijnenburg, van toen beide auteurs nog schrijfmaten waren. Onder Doktoren. Maar nu aandacht voor, eerlijk is eerlijk: Janssen. Salut!

 

(Jac., maart 2018)

Dreumes zonder schoenen op de trap

Een stralende woensdagmiddag begin februari. Ik had boodschappen gedaan en besloot langs een andere weg terug te lopen, in de zon. Bijna aan het eind van het winkelcentrum stond een jonge vrouw met kinderwagen te kijken naar de stenen trap die daar omhoog leidt naar de woonhuizen boven de winkels.

– Mag ik u iets vragen? Er zit daar een kindje op de trap, nog heel klein, zonder schoenen aan. En ik zie nergens een moeder of ouder. Dat kind kunnen we daar niet laten zitten, toch? Maar ik kan mijn eigen kinderen niet alleen laten. Dus misschien kunt u helpen.

Halverwege op de steile en koude betonnen trap zat een dreumes met een snotneus en blonde haartjes. Ze droeg een roze truitje maar geen jas. De sokjes half uit. Ondanks de zon reikte het kwik maar een paar graden boven nul.

Zonder jas en schoenen moest ze ergens uit de buurt komen.

– Dat is inderdaad raar dat dit kind daar zomaar zit, we moeten de moeder even zoeken of kijken wat er aan de hand is, zei ik.

– Ik wil wel even op uw boodschappen passen, bevestigde de vrouw. Ze was een zeer mooie en verzorgde jonge moeder. Intelligente ogen, lichtbruine huid en zwart haar, en twee prachtige kindjes in de wandelwagen, een baby en een jongetje van ruim twee.

Ik ging op de trap naast de dreumes zitten, die me argwanend bekeek. Rustig vroeg ik of ze wist waar haar moeder was, of ze misschien daarboven woonde, of ze het niet koud had. Het kind zei boe noch bah. Het kon duidelijk nog niet spreken. Ik vroeg of ik haar handjes even mocht aanraken om te voelen of ze het niet heel koud had, maar ze trok haar handje terug. Ze keek me strak aan met haar blauwe oogjes. Ik tastte voorzichtig nog eens, de handjes waren koud maar niet steenkoud, dus ze zat hier vermoedelijk nog niet zo lang. Ik vroeg of ik haar mocht optillen. Ze reageerde niet maar bleef me geconcentreerd fixeren, dus tilde ik haar voorzichtig op.

– Ik loop met je naar boven om te kijken of we je huis vinden.

Een van eerste huizen boven zag er een beetje uit als een kinderopvang. Ik zag kinderen achter een raam, de overige ramen waren afgeplakt met plastic. De deurbel gaf geen gehoor. Een huis verder – de nummering maakte een sprong – belde ik aan maar ook zonder resultaat. Terug naar het eerste huis, daar stond een damesfiets met een kinderzitje achterop. Opnieuw aangebeld, geen reactie. Ik liep een rondje met het meisje op de arm, niemand te zien. Ze leek al iets meer op haar gemak. Dan maar met de brievenbus geklepperd. Kinderstemmen klonken achter de voordeur. Ik klopte en riep of ze wilden opendoen. Twee kinderen van pakweg drie en vijf deden open, het jongetje en het meisje die ik daarvoor achter het raam had gezien. Ze keken beurtelings naar mij en de dreumes op mijn arm. Is jullie moeder thuis, vroeg ik. Het jongetje, duidelijk de bijdehandste, zei ja.

– Wil je haar even roepen?

Het meisje riep haar mama maar er kwam niemand. Kennen jullie dit meisje? Dat is ons zusje! Ik zei dat ik haar helemaal alleen op de trap had gevonden. Hebben jullie haar niet gemist? Die vraag kwam niet aan maar het jongetje zei, medelevend: ze was helemaal alleen! Ik vroeg of ze hun moeder nog eens riepen, wat ze deden. Maar er kwam niemand, ook geen reactie. De dreumes reikte naar haar broer en zus en ik zette het kind tussen hen in op de grond. Ik vroeg of ze goed wilden opletten dat ze niet nog eens zou weglopen. De kinderen knikten begrijpend, zwaaiden naar me en deden de voordeur dicht. Het jongetje deed het gordijn opzij en zwaaide nogmaals.

Onderaan de trap wachtte de bezorgde jonge vrouw met haar kinderwagen. Ik bracht verslag uit. We vonden het eigenaardig dat niemand dat kleintje had gemist, dat zich geen ouder had vertoond. Misschien was er iets met de moeder. Ik had niet ongevraagd bij die mensen naar binnen kunnen stappen? De jonge vrouw stelde voor dat we het voorval meldden bij het Buurtteam vlakbij, hetgeen we deden. Daar zou men, zo werd gezegd, bij de wijkagent checken of het gezin bekend was.

We bekeken het balkon dat bij het huis moest horen. Er stonden wat ruwe planken scheef overeind, in een hoek hing een plastic zeil zonder duidelijke functie. De vrouw en ik bedankten elkaar. We moeten toch een beetje naar elkaar omkijken, vond zij; zeker als je zelf kinderen hebt spreekt dat vanzelf. Ik gaf haar gelijk en roemde haar oplettendheid, pakte mijn boodschappen op en liep naar huis. Onderweg bekropen me twijfels. Wat als de moeder misschien ziek was, een huiselijk ongeluk had gehad, of dronken was of op andere wijze ontoerekeningsvatbaar? Waarom had ik niet even doorgevraagd bij die kinderen? Waren ze wel veilig daar? Waarom had ik met de oplettende jonge vrouw geen naam en adres uitgewisseld? En zo verder.

Ik moest er maar op vertrouwen dat het goed kwam. De vrouw en ik hadden redelijk adequaat gehandeld, en ik was ten slotte niet mijn broeders hoeder.

Geloven en bevragen

Als je iets gelooft, betekent dit dat je het aanneemt. Je accepteert, en schakelt daarbij de kritische vermogens uit die je anders ertoe zouden brengen de kwestie te bevragen: is dit wel zo, zie ik niets over het hoofd, welke andere kanten zit er aan deze waarheid?

Daarmee is geloven, behalve het uitschakelen van je intellect, een positieve daad. Een gebaar van overgave en acceptatie. Je stopt met je eeuwige kritische kanttekeningen en omarmt iets als een gegeven.

Maar pas op, die laatste formulering is meteen al tendentieus. Dat ‘eeuwige’ duidt op gezeur. Zaken bevragen en een kritische houding worden hiermee hinderlijke neigingen waarmee je anderen voor de voeten loopt. En laten we het intellect niet overschatten in zijn aandeel in het begrijpen van de wereld.

Deze terughoudendheid komt vast voort uit mijn jeugd. Waar ik als zesde loot in ons gezin aanzag wat er allemaal gebeurde en pas langzaam maar zeker (want ik kwam pas net kijken) vragen durfde te gaan stellen bij wat beweerd werd, of verzwegen, of voor lief genomen. Of bij wat ik misschien gemist had. Mijn moeder moedigde mijn nieuwsgierigheid aan met de woorden ‘wie niks vraagt komt ook nooit iets te weten’ of iets van die strekking. Maar als ik, bij haar of mijn grote broers en zussen, te lang op zaken doorvroeg moest ik toch op zeker moment mijn mond houden. Want het ging me niks aan. Of ik was er te klein voor. Of ik moest me niet bemoeien met zaken waar ik geen verstand van had. Terwijl ik wilde leren, begrijpen.

Iedereen wil weleens iets kwijt. Je gooit een emotie of mening eruit en denkt dat je er dan vanaf bent. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Degene tegen wie je iets zegt, ik in dit geval, ik verwerk op mijn manier wat ik hoor. Ik heb er mijn eigen gedachten bij en wil weten hoe iemand iets precies bedoelt, als is het maar om erachter te komen of ik goed heb begrepen wat die ander zeggen wilde. Lastig? Vast, maar dat is dan even niet anders. Mensen raken ook geïrriteerd, want mijn vragen dwingen om opnieuw na te denken over wat je zegt. En dan kom je er misschien achter dat het toch meerdere kanten heeft, dat iemand anders de keerzijde kan ervaren van jouw standpunt, dat het misschien allemaal net iets genuanceerder ligt dan de primaire mening die jij er zojuist uitgooide. Het ging jou erom de eigen emotie, mening of irritatie kwijt te raken door hem te uiten. Daarbij zat je niet te wachten op een weerwoord. ‘Wat een vervelende betweter zeg, die mij zo durft te bevragen. Het is gewoon zó als ik het zeg, en daarmee basta.’

Nu is het mijn rol van verhalenverteller en journalist, om juist door te vragen. Om het fijne te weten te komen van wat iemand beweert. Zo worden we misschien wel weer wat wijzer. Als we altijd maar alles bleven nabauwen wat onze voorouders geloofden, dachten we nu nog dat de aarde plat was.

Het geloof wordt al duizenden jaren gebruikt om de mensen dom te houden. Ook dat zegt mijn moeder. Die zich net als ik ergerde in de kerk wanneer ze luisterde naar het gebazel van de pastoor. Het lukte ons gewoonweg niet om die woorden op te vatten als rituele bezweringen, nee, wij moesten het zo nodig letterlijk nemen en bevragen. In mijn geval leidde dit onvermijdelijk tot een radicale breuk met het geloof. En dat leidt bij mij soms nog steeds tot onbegrip en irritatie jegens uitingen van gelovigheid.

Ik hoef het hier niet te hebben over de intolerantie tegenover niet-gelovigen wereldwijd. Maar als ik vragen stel bij wat anderen geloven, lijkt dat soms over te komen als onrespectvol. ‘Respect voor alle religies!’ was een reactie, nadat ik op Facebook een bericht postte over een onderzoek waaruit bleek dat ongelovige mensen intelligenter zijn dan gelovige. Ik had dat artikel niet eens gelezen maar vond het gewoon leuk om een beetje te jennen.
Trouwens, dat dankt je de koekoek zeg, dat ongelovigen slimmer zijn. Als je alles maar gewoon gelooft en aanneemt, blijf je dom. Neem klimaatontkenners: meestal types uit de meest conservatief-religieuze uithoeken van de VS. Onder het mom van religieus gedreven argumenten (‘de mens moet zich niet belangrijker maken dan hij is in Gods schepping’) proberen ze hun eigen (financiële) belangen in de olie-industrie te verdedigen.

Dus, lieve mensen. Ik kan hier een lang semantisch betoog houden over geloof en religie, maar dat ga ik niet doen. Niet omdat ik er geen verstand van heb, maar omdat het niet per se interessant is wat ik ervan vind. Als ik een berichtje post over gelovigen en ongelovigen, en wie al dan niet slimmer zou zijn dan de ander, dan is dat niet omdat ik gelovigen niet respecteer. Integendeel, ik tel gelovige zielen onder mijn beste vrienden. Maar door je te bevragen, laat ik zien dat ik je uiterst serieus neem. En dat jij zelf je eigen aannames misschien ook wel een tikje serieuzer zou kunnen nemen.

https://www.nu.nl/wetenschap/5108636/atheisten-intelligenter-dan-gelovigen.html

Ga naar de bovenkant